|
Maatschappelijk Verantwoord Beleggen
Verklarende Woordenlijst
A - E
F - J
K - O
P - T
U - Z
Absolute return
Een fonds of portefeuille dat een 'absolute return' nastreeft, heeft als doel iedere verslagperiode een positief rendement te behalen, dat in ieder geval boven het rendement op kasgeld ligt.
abtn
Afkorting voor actuariële en bedrijfstechnische nota.
Actief beleggen
Op grond van een bepaalde (markt)visie wordt afgeweken van de benchmark, om zo te trachten een betere performance te behalen.
Activa
Zie: Pensioenvermogen
Actuariële en bedrijfstechnische nota (abtn)
Pensioenfondsen dienen te werken volgens een actuariële en bedrijfstechnische nota. Hierin zijn de financiële opzet van een pensioenfonds en de grondslagen waarop deze berust, gemotiveerd omschreven. De actuariële en bedrijfstechnische nota moet in ieder geval een beschrijving bevatten van de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de bepaling van de PW omtrent de eisen inzake de inhoud van de uitvoeringsovereenkomst, de voorwaardelijke toeslagverlening, de bepalingen van het FTK alsmede een beschrijving van de inrichting van de bedrijfsvoering. Daarnaast bevat de abtn een beschrijving van de sturingsmiddelen en de Verklaring inzake Beleggingsbeginselen. Ook op grond van lagere regelgeving zijn eisen gesteld aan de inhoud van de abtn. De actuariële en bedrijfstechnische nota moet binnen twee weken na de totstandkoming (van de wijziging) aan de Nederlandsche Bank worden overgelegd.
Actuariële principes pensioenfondsen
Pensioenfondsen moeten voldoende voorzichtigheid (prudentie) in acht nemen bij de financiële opzet van het fonds en bij de invulling die hier in de praktijk aan wordt gegeven. De Nederlandsche Bank heeft in de Actuariële principes pensioenfondsen aangegeven wanneer hieraan volgens haar is voldaan. De actuariële principes zijn per 1 januari 2007 vervangen door een financieel toetsingskader (FTK), waarin nieuw te hanteren waarderingsmethoden zijn aangegeven.
AEX-index
Een index die de stemming op de Amsterdamse aandelenbeurs weergeeft. Voor de meting van deze index zijn 25 Nederlandse fondsen geselecteerd, die 80% van de totale marktkapitalisatie van Nederlandse beursgenoteerde fondsen vertegenwoordigen. Het belangrijkste selectiecriterium van de 25 Nederlandse fondsen in de index, is het totale handelsvolume van de afgelopen drie jaar.
AFM
Afkorting van Autoriteit Financiële Markten
Algemene Pensioeninstelling (API)
Met de Algemene Pensioeninstelling wordt beoogd een vehikel te introduceren dat de ruimte die wordt geboden door de Europese richtlijn betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen (richtlijn 2003/41/EG; ook wel aangeduid als IORP-richtlijn) volledig kan benutten. Het is dan ook de bedoeling om de API meer mogelijkheden te bieden dan het pensioenfonds in de zin van de Pensioenwet. In tegenstelling tot het pensioenfonds zal de API bijvoorbeeld gebruik kunnen maken van de ruimere productafbakening van de richtlijn. Verder zal voor de API niet de eis van één financieel geheel, zoals die voor pensioenfondsen van toepassing is, hoeven te gelden.
ALM
Afkorting van Asset Liability Management, het afstemmen van het pensioenvermogen op verplichtingen. Het uitvoeren van een ALM-studie kan een pensioenfonds of verzekeringsmaatschappij behulpzaam zijn bij het kiezen van de beleggingsmix, de wijze van financieren en/of de wijze van het verlenen van toeslagen. Een ALM-studie kent de volgende aspecten:
1. het in kaart brengen van de financiële stromen;
2. de simulatie van toekomstige financiële posities;
3. de samenhang met de economische omgeving; en
4. de vergelijking van beleidsvarianten.
Alpha
Een maatstaf voor de afwijking (out/underperformance) van het rendement van een beleggingsportefeuille ten opzichte van het rendement van de benchmark. Alpha wordt gebruikt om aan te geven wat de bijdrage van de vermogensbeheerder is geweest aan het rendement van de portefeuille, omdat het rendement van de benchmark (beta), waar de beheerder geen invloed op heeft, eruit is gehaald.
Alternatieve beleggingen
Ook wel alternatives genoemd. Niet-traditionele beleggingen.
Ambitieniveau
Zie: indexatieambitie
API
Afkorting voor Algemene Pensioeninstelling.
Asset-mix
Zie: beleggingsmix.
Attributie-analyse
Toont aan hoe een rendement tot stand is gekomen en waar de sterktes & zwaktes liggen. Brengt in kaart welke beslissingen hoeveel hebben bijgedragen aan het rendement. Denk aan allocatie en selectie bijdrage.
Auditcommissie
In ‘Principes voor goed pensioenfondsenbestuur’ geboden mogelijkheid om jaarlijks het functioneren van het bestuur te laten toetsen door een auditcommissie. Deze bestaat uit ten minste drie onafhankelijke deskundigen.
Autoriteit Financiële Markten (AFM)
De AFM is toezichthouder op het gedrag van en de informatieverstrekking door alle partijen op de financiële markten in Nederland. Zie ook gedragstoezicht en effectentypisch gedragstoezicht.
Balanced mandaat
Mandaat voor het beleggen in een combinatie van de traditionele beleggingscategorieën aandelen en vastrentende waarden.
Bedrijfstakpensioenfonds
Een bedrijfstakpensioenfonds voert een pensioenregeling uit voor één of meer bedrijfstakken. In principe zijn alle werknemers en soms ook een aantal zelfstandigen uit die bedrijfstakken voor hun pensioen verzekerd bij dit bedrijfstakpensioenfonds. Bij een bedrijfstakpensioenfonds is meestal een flink aantal werkgevers aangesloten. Soms zijn die werkgevers volgens een CAO verplicht om zich aan te sluiten, maar meestal zijn ze verplicht krachtens de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000. In het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000 is een aantal gevallen opgenomen waarin een werkgever zich niet bij het bedrijfstakpensioenfonds hoeft aan te sluiten. Het bedrijfstakpensioenfonds voert één verplichte pensioenregeling uit voor alle werknemers in de bedrijfstak, meestal tegen een uniforme premie.
Beleggingsmix
De verdeling van beleggingen over verschillende beleggingscategorieën, zoals bijvoorbeeld: aandelen, onroerend goed en vastrentende waarden met een nadere onderverdeling in binnen- en buitenlandse beleggingen.
Beleggingsbeleid
Een pensioenfonds is verplicht om op prudente wijze te beleggen. Het beleggingsbeleid van een pensioenfonds is enerzijds gericht op het zoveel mogelijk uitsluiten van beleggingsrisico's en anderzijds op het behalen van een zo hoog mogelijk rendement. Bovendien moet de afstemming van beleggingen op de verplichtingen juist zijn: het pensioenfonds moet op het juiste moment aan haar verplichtingen kunnen voldoen.
Om optimaal aan deze uitgangspunten te voldoen is een juiste samenstelling van de beleggingsmix noodzakelijk, die met behulp van een ALM-studie kan worden vastgesteld.
Beleggingsinstructie
Zie: mandaat vermogensbeheer.
Beleggingsrichtlijnen
Zie: mandaat vermogensbeheer.
Beleggingsrisico's
Risico’s verbonden aan het beleggen; de verwachte rendementen kunnen in werkelijkheid hoger of lager uitvallen (‘Rendementen uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst’).
Benchmark (index)
Een objectieve maatstaf voor zowel de samenstelling als de performance van het belegde vermogen. Een benchmarkindex is een mandje van -bijvoorbeeld- een aantal aandelen. In beginsel bepaalt de totale waarde van alle uitstaande aandelen de waarde van een index; fluctuaties in de waarde van de index worden derhalve veroorzaakt door koersfluctuaties van de in de index opgenomen aandelen. Een bekend voorbeeld van een index die als benchmark wordt gebruikt is de AEX-index.
Benchmarking
Het vaststellen van resultaten op een objectieve en verifieerbare wijze.
Beroepspensioenfonds
Pensioenfonds voor beoefenaren van een bepaald beroep, zoals notarissen, huisartsen, actuarissen en vroedvrouwen. Als een beroepspensioenfonds aanwezig is, zijn alle beroepsgenoten verplicht om zich bij dat fonds aan te sluiten. Het is ook mogelijk dat er geen beroepspensioenfonds is opgericht, maar dat er een rechtspersoon in het leven is geroepen, die er op toeziet dat beroepsgenoten een bepaalde basispensioenregeling voor zichzelf treffen bij een levensverzekeraar.
Op beroepspensioenregelingen is voor wat betreft de inhoud van een beroepspensioenregeling niet de Pensioen- en spaarfondsenwet of met ingang van 1 januari 2007 de Pensioenwet van toepassing, maar de Wet verplichte beroepspensioenregeling (voorheen de Wet verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling). Beroepspensioenfondsen vallen voor wat betreft de toezichtbepalingen onder de werking van de Pensioenwet.
Beschikbare premieregeling
Pensioenregeling waarin de hoogte van het pensioen afhankelijk is van de krachtens de pensioenregeling beschikbaar gestelde premies en over het totaal hiervan behaalde beleggingsopbrengsten. Het aldus opgebouwde pensioenkapitaal wordt op de pensioendatum omgezet in een recht op periodieke pensioenuitkeringen. Met behulp van actuariële grondslagen en methoden wordt bij pensioneren de precieze hoogte van het pensioen vastgesteld.
Bestuurssamenstelling pensioenfonds
In het bestuur van een bedrijfstakpensioenfonds moeten de vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersvakverenigingen in de desbetreffende bedrijfstak in gelijken getale zitting hebben. Het bestuur van een bedrijfstakpensioenfonds moet dus verplicht paritair zijn samengesteld.
In het bestuur van een ondernemingspensioenfonds moeten de vertegenwoordigers van de deelnemende werknemers ten minste evenveel zetels bezetten als de vertegenwoordigers van de werkgever. Het bestuur van een ondernemingspensioenfonds moet dus ten minste paritair zijn samengesteld: vertegenwoordigers van de werknemers mogen méér zetels bezetten dan de vertegenwoordigers van de werkgever, maar dat is geen verplichting.
De deelnemers moeten in het bestuur van elk pensioenfonds zijn vertegenwoordigd. Bovendien mogen de statuten en reglementen van pensioenfondsen nooit bepalingen bevatten, die het bestuurslidmaatschap onbereikbaar maken voor gewezen deelnemers.
Deze bepalingen over de samenstelling van besturen van pensioenfondsen zijn opgenomen in de Pensioenwet. Op grond van de Pensioenwet moeten alle (her)benoemde bestuursleden worden getoetst op deskundigheid en betrouwbaarheid. Wat onder deskundig en betrouwbaar dient te worden verstaan is nader uitgewerkt in de Pensioenwet en de hierop gebaseerde lagere regelgeving.
Bestuurstaken pensioenfonds
Het bestuur van een pensioenfonds stelt het pensioenreglement vast, bepaalt de hoogte van premies en technische voorzieningen, zorgt voor de administratie van aanspraken, beleggingen en uitkeringen, voert beleggingsbeleid uit, sluit herverzekeringsovereenkomsten af en regelt de dagelijkse gang van zaken. Het bestuur kan een deel van deze taken delegeren aan anderen, maar het blijft zelf eindverantwoordelijk.
Beursgenoteerd
Effecten die op de beurs verhandelbaar en genoteerd zijn. Zij kennen openbare prijzen en prijsvorming.
Beta
Een maatstaf die weergeeft in welke mate het rendement van een aandeel of beleggingsportefeuille kan stijgen of dalen als het rendement van de benchmark stijgt of daalt. Beta kan positief of negatief zijn, de beta van de benchmark is per definitie 1. Bijvoorbeeld: een portefeuille heeft een beta van 0,8. Een stijging van de benchmark met 1% heeft dan een stijging van 0,8% van de portefeuille tot gevolg.
Bottom up beleggen
Een wijze van portefeuille samenstelling waarbij de focus met name ligt op het selecteren van individuele vermogenstitels en waarbij de allocatie over landen en sectoren op de tweede plaats komt.
Buy and hold beleggen
Beleggingen worden voor langere tijd in de portefeuille gehouden, waarbij een afgesproken benchmark van secundair belang is.
Code Tabaksblat
Deze commissie heeft een corporate governance code ontwikkeld. Geïnspireerd op deze code zijn onder andere de Stichting voor Ondernemingspensioenfondsen, de Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bezig met het ontwikkelen van een soortgelijke code voor pensioenfondsen (Pension Fund Governance).
Collectieve beschikbare premieregeling
Een pensioensysteem waarbij de werkgever zich er uitsluitend toe verplicht een vaste premie te betalen. Bij collectief beschikbare premieregelingen (ook wel collectieve DC-regelingen genoemd) wordt het risico van een tekort door de pensioendeelnemers gezamenlijk gedragen. De werkgever is niet verantwoordelijk voor het aanvullen van eventuele premie- of dekkingstekorten. Dit risico wordt collectief gedragen door de deelnemers. Het verschil met een individuele beschikbare premieregeling is dat het collectieve element bewaard blijft.
Combinatieregeling
Een pensioenregeling die uit twee of meer pensioensystemen is samengesteld. Te denken valt aan een combinatie van eindloon en middelloon of eindloon en beschikbare premie. De verschillende systemen betreffen veelal verschillende salariscomponenten (zoals ploegendienst) of een bepaalde salarisgrens waarboven op basis van een ander pensioensysteem pensioen wordt opgebouwd.
Commodities
Vrij vertaald: grondstoffen. Commodities zijn ruwe basismaterialen die worden gebruikt bij het produceren van goederen, zoals olie, ruwe metalen, katoen, koffie etc. De waarde van een commodity wordt vrijwel in zijn geheel bepaald door vraag en aanbod.
Compliance officer
Een onafhankelijke (interne) toezichthouder die (actief) toetst of de gedragscode en/of wettelijke regelingen met betrekking tot de koersgevoelige informatie en privé effectentransacties worden nageleefd. De compliance officer heeft een signalerende en corrigerende functie.
Continuïteitanalyse
Analyse in het kader van het FTK waarbij de financiële opzet en positie van het pensioenfonds voor de lange termijn wordt beoordeeld. Verschil met de solvabiliteitstoets is dat bij de continuïteitstoets onder andere rekening wordt gehouden met toekomstige pensioenopbouw en premie-inkomsten. De analyse heeft hiermee een lange termijn karakter. Ook andere variabelen zoals het beleggingsbeleid en het bijbehorende risicomanagement, het toeslagen- en winstdelingsbeleid, het wijzigen van de beleggingsportefeuille, het achterwege laten van toeslagverlening, etc wordt hierin betrokken. Er kan worden geanalyseerd of er inconsistentie is tussen de financiering, het toeslag- en het beleggingsbeleid.
Bij de continuïteitsanalyse is geen directe rekenkundige relatie gedefinieerd tussen de resultaten en de kapitaaleisen voor het pensioenfonds, vandaar dat er niet gesproken wordt over een toets. Op grond van de toeslagenmatrix moet in de communicatie aangegeven worden welke lange termijnverwachting blijkt uit de continuïteitsanalyse met betrekking tot een eventueel (voorwaardelijk) toegezegde toeslagverlening.
Core-satellite
Het opbouwen van een beleggingsportefeuille met als basis een kern (core) portefeuille, bestaande uit beleggingen die de vermogensbeheerder met een laag risico ten opzichte van de benchmark beheert. Met daaraan toegevoegd satelliet (satellite) portefeuilles met beleggingen die door de vermogensbeheerder met een hoger risico ten opzichte van de benchmark wordt beheerd. De kern zorgt in deze opbouw voor relatief lage risico’s en lage kosten, zodat aan de satelliet portefeuilles meer risico kan worden toebedeeld en er meer aandacht kan worden besteed aan kansen op outperformance.
Correlatie
Een maatstaf die weergeeft wat de mate van samenhang is tussen het rendement van twee variabelen (bijvoorbeeld aandelen of obligaties). De correlatie kan een waarde aannemen tussen minus 1 en plus 1. Een negatieve correlatie van -1 tussen twee aandelen betekent dat, als het rendement van één aandeel stijgt, het rendement van het andere aandeel met dezelfde factor daalt.
Credits
Engelse benaming voor bedrijfsobligaties. Verzamelnaam voor vastrentende beleggingen die uitgegeven worden door bedrijven met uiteenlopende kredietwaardigheid (ratings).
Custody
De bewaarneming van effecten. Waar op een bankrekening geldbedragen worden geadministreerd, worden door een effectenbewaarder (custodian) aandelen en obligaties bewaard en geadministreerd.
DB
Afkorting van Defined Benefit.
DC
Afkorting van Defined Contribution.
Deelnemer
De Pensioenwet definieert een deelnemer als een werknemer of een gewezen werknemer die op grond van een pensioenovereenkomst pensioenaanspraken verwerft jegens de pensioenuitvoerder. Een dergelijke pensioenregeling kan worden uitgevoerd door een pensioenfonds of een (levens)verzekeraar.
Deelnemersraad
De deelnemersraad is een orgaan binnen een pensioenfonds, dat adviserende bevoegdheden heeft ten opzichte van het bestuur van dat pensioenfonds.
In een deelnemersraad van een ondernemingspensioenfonds zijn deelnemers en gepensioneerden vertegenwoordigd naar evenredigheid van hun vertegenwoordiging binnen het pensioenfonds. Bij bedrijfstakpensioenfondsen bestaat de deelnemersraad uit vertegenwoordigers van verenigingen van werknemers die aan het fonds deelnemen (vakbonden) en van gewezen deelnemers en hun pensioengerechtigde nagelaten betrekkingen. De vertegenwoordigers van de diverse verenigingen hebben zitting in de deelnemersraad naar evenredigheid van hun ledentallen binnen het bedrijfstakpensioenfonds. Het bestuur van een bedrijfstakpensioenfonds is verplicht tot het instellen van een deelnemersraad wanneer dit wordt verzocht door verenigingen waarvan het ledental binnen het fonds in totaal tenminste 5% van het totale verzekerdenbestand van dat fonds bedraagt. Wanneer een 5% van het totale verzekerdenbestand van het ondernemingspensioenfonds daarom verzoekt, moet een deelnemersraad verplicht worden ingesteld. Het bestuur van het pensioenfonds kan ook vrijwillig een deelnemersraad instellen.
Defined Benefit (DB)
Pensioenregeling waarbij de hoogte van de uitkering van het pensioen vaststaat en de pensioenpremies niet vaststaan.
Defined Contribution (DC)
Zie: beschikbare premieregeling.
Dekkingsgraad
De verhouding tussen het aanwezige vermogen en de contante waarde van de op dat moment geldende reglementaire pensioenaanspraken. Het aanwezige vermogen is de som van de contante waarde van pensioenaanspraken die op dat moment zijn gefinancierd, en de eventuele algemene en extra reserve.
Dekkingstekort
Situatie dat de middelen van het pensioenfonds niet langer toereikend zijn om de voorziening pensioenverplichtingen en de reserve voor algemene risico’s te dekken.
De Nederlandsche Bank (DNB)
Orgaan dat (prudentieel) toezicht houdt op financiële instellingen. na de fusie in 2004 van De Nederlandsche Bank met de Pensioen- & Verzekeringskamer vallen hier ook pensioenfondsen en verzekeraars onder. Het gedragstoezicht wordt uitgevoerd door de Autoriteit Financiële Markten. Het toezicht op verzekeraars is geregeld in de Wet op het financieel toezicht, terwijl in de Pensioenwet ook het toezicht op pensioenfondsen is geregeld Tevens zijn bepalingen betreffende het toezicht terug te vinden in de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 en de Wet verplichte beroepspensioenregeling. De Nederlandsche Bank houdt ook toezicht op pensioenregelingen die door een werkgever rechtstreeks bij een verzekeraar worden ondergebracht.
Derivaten
Afgeleide financiële instrumenten, dat wil zeggen financiële contracten, waarvan de waarde wordt afgeleid van een onderliggende waarde (bijv. een aandeel), een referentieprijs of een index (bijv. de AEX-index). De bekendste vormen van derivaten zijn opties, futures contracten en forward contracten
Deskundigheidsplan
Schriftelijke uiteenzetting over de deskundigheid van het bestuur van een pensioenfonds. Ieder pensioenfonds dient over een deskundigheidsplan te beschikken. Het plan dient bij aanmelding van bestuursleden aan de Nederlandsche Bank te worden overlegd.
Deskundigheidstoets
Op grond van de Pensioenwet dient een bestuurder over voldoende deskundigheid te beschikken om een goede afweging te kunnen maken bij het bepalen van een standpunt, alsmede om een volwaardig gesprekspartner te kunnen zijn. Om de mate van deskundigheid te waarborgen dient het bestuur zelf te toetsen of het voldoet aan alle gestelde deskundigheidseisen. Door toepassing van deze toets kan inzicht worden verkregen in de kennis van zowel een individuele bestuurder als het bestuur als geheel. Aanbevolen wordt om deze toets door een onafhankelijke partij te laten uitvoeren.
Direct rendement
De jaarlijkse contante opbrengsten op effecten. Bij aandelen: dividendrendement; bij vastrentende waarden: couponrendement.
Diversificatie
Diversificatie betekent feitelijk het spreiden van risico’s. Met het spreiden van risico’s kan de efficiëntie van een beleggingsportefeuille worden vergroot. Dit betekent dat het risico daalt en/of het verwachte rendement toeneemt. Voorwaarde is dat de correlatie tussen verschillende beleggingscategorieën niet gelijk is aan één.
Dividend
Gedeelte van de winst dat door een bedrijf wordt uitgekeerd aan haar aandeelhouders.
DNB
Zie: De Nederlandsche Bank.
DNB rapportage
Een kwartaalrapportage bedoeld om De Nederlandsche Bank informatie te verschaffen over het belegd vermogen van een pensioenfonds. De kwartaalrapportages zijn een aanvulling op de bestaande verslagstaten die betrekking hebben op een geheel boekjaar. In de kwartaalrapportages ligt de nadruk op de economische posities van de beleggingsportefeuille.
Doelvermogen
De voorziening die aanwezig moet zijn om op de pensioendatum aan de pensioenverplichtingen te kunnen voldoen.
Duration
Hiermee wordt de koersgevoeligheid van een bepaalde vastrentende waarde voor veranderingen in de rentestand aangegeven. Een (modified) duration van 5 jaar voor vastrentende waarden geeft aan dat bij een stijging (c.q. daling) van de rentestand met 1%-punt, de koers van de vastrentende waarden ongeveer met 5%-punten daalt (c.q. stijgt).
Duurzaam beleggen
Verantwoord Beleggen (ook wel duurzaam of ethisch beleggen genoemd) is een vorm van beleggen waarbij naast de reguliere financiële indicatoren ook de effecten van het ondernemingsbestuur en de bedrijfsvoering op het gebied van milieu, maatschappij en ondernemingsbestuur en de economie in het algemeen worden meegewogen.
Effectentypisch gedragstoezicht
Toezicht door de AFM op integer gedrag op de effectenmarkten (zie ook gedragstoezicht). Een goede werking van de markt en het vertrouwen in de financiële markt staan hierbij voorop.
De effectentypische gedragsregels zijn direct afgeleid van het bestaande gedragstoezicht op effecteninstellingen en zijn opgenomen in wet- en regelgeving.
Vanaf 1 december 2003 geldt dit effectentypisch gedragstoezicht niet alleen voor effecteninstellingen, maar ook voor verzekeraars, beleggingsinstellingen, pensioen- en spaarfondsen, kredietinstellingen die niet het effectenbedrijf uitoefenen en overige financiële instellingen in de zin van de Wet op het financieel toezicht.
Eigen beheer
Uitvoering van een pensioenregeling door een pensioenfonds dat zijn verplichtingen niet volledig heeft herverzekerd. In het algemeen kiezen pensioenfondsen slechts voor herverzekering ingeval van onaanvaardbare risico's van overlijden (relatief hoge risicokapitalen) en arbeidsongeschiktheid. Op grond van de Pensioen- en spaarfondsenwet mag een pensioenfonds slechts eigen beheer voeren, als uit de actuariële en bedrijfstechnische nota blijkt dat het pensioenfonds voldoet aan de eisen die de Pensioenwet stelt aan deze nota en het pensioenfonds voldoet aan de eisen die gesteld zijn aan de financiële opzet in relatie tot het draagvlak van het pensioenfonds. In fiscale zin wordt van eigen beheer gesproken wanneer een onderneming op de balans een voorziening heeft voor een individuele pensioentoezegging.
Eindloonregeling
Pensioenregeling waarin de hoogte van het (behaalbare) ouderdomspensioen afhangt van het salaris dat de deelnemer direct voorafgaand aan de pensioendatum verdient.
Zie ook: gemitigeerde eindloonregeling.
EMD
Afkorting van Emerging markets debt.
Emerging markets
Vrij vertaald: opkomende markten. Hiermee worden financiële markten aangeduid van ontwikkelingslanden. Deze markten worden vaak gekarakteriseerd door de snelle maar ook onstabiele economische groei. Een belegging in een emerging market wordt vaak gezien als risicovol vanwege (potentiële) politieke problemen en economische instabiliteit. Het risico, maar ook het verwacht rendement van een dergelijke belegging is daarom hoger dan van een belegging in ontwikkelde landen.
Emerging markets debt (EMD)
Obligaties uitgegeven door bedrijven of overheden in opkomende markten. Het verwachte rendement op en het risico van dergelijke leningen is hoger dan op credits en staatsleningen.
Engagement
Het aangaan van een constructieve dialoog met ondernemingen over onderwerpen als milieu, maatschappij en ondernemingsbestuur, waarbij niet alleen de risico’s en negatieve effecten aan de orde komen, maar waarbij ook gezamenlijk gekeken wordt naar de kansen die ontstaan door veranderende (economische) omstandigheden.
Ethisch beleggen
Zie: duurzaam beleggen.
Fiduciair consulting
Dienstverlening die bestaat uit onderliggende deelservices aangeboden door een onafhankelijke consultant. Het is een samenwerkingsverband waarbij kennis en kunde van de consultant in de huidige organisatie wordt ingebracht (insourcing). De organisatie doet alle besluitvorming. De consultant adviseert en ondersteunt hierin. Componenten van dienstverlening kunnen zijn: ondersteuning bij de formulering van het strategische beleggingsbeleid, ondersteuning bij implementatie van de beleggingsportefeuille, rapportering en monitoring, deelname aan de beleggingscommissie en risicomanagement.
Fiduciair management
Dienstverlening die bestaat uit onderliggende deelservices aangeboden door vermogensbeheerders. Aan fiduciair management wordt in de praktijk verschillende invulling gegeven. Hierbij kan gedacht worden aan de bundeling van strategische advisering, portefeuillemanagement, integrale rapportering, risicomanagement en client servicing. Het is een vorm van uitbesteding waarbij de fiduciaire manager handelt binnen een mandaat.
Financieel toetsingskader (FTK)
Benaming van het nieuwe toezichtregime dat per 1 januari 2007 van toepassing is op de financiële positie en het financiële beleid van pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen. de nieuwe waarderingsmethoden hebben de Actuariële Principes Leven en Actuariële Principes Pensioenfondsen vervangen. Het nieuwe toezichtregime is ook verankerd in de Pensioenwet.
FTK
Afkorting voor het financieel toetsingskader.
Fund of funds
Beleggingsfondsen die op hun beurt in meerdere andere beleggingsfondsen beleggen.
Futures contract
Een contract dat de verplichting schept om op een afgesproken tijdstip een bepaald goed te kopen of te verkopen tegen een afgesproken prijs. Deze prijs wordt periodiek aangepast om de marktwaarde van het contract op nul te houden. In tegenstelling tot een forward contract, wordt een futures contract verhandeld op de beurs.
Gesepareerde beleggingen
Vorm van overrentedeling, waarbij niet wordt uitgegaan van een fictief beleggingspakket (zie: tl-korting), maar van een werkelijk beleggingsdepot dat de verzekeraar afzonderlijk (gesepareerd) ten behoeve van de verzekeringsnemer ter dekking van diens voorziening pensioenverplichtingen aanhoudt en administreert. Dit laatste doet de verzekeraar met inspraak van de verzekeringsnemer. Het rendement op de gesepareerde beleggingen komt toe aan de verzekeringsnemer. De verzekeraar vraagt een beheer- en administratievergoeding.
Global Tactical Asset Allocation (GTAA)
Vorm van niet-traditioneel beleggen. Dit is een strategie waarmee een investeerder tracht te profiteren van korte termijn marktinefficiënties. Dat doet hij/zij door posities in te nemen in verschillende markten. Er is een visie te kunnen profiteren van relatieve veranderingen binnen die markten. De focus ligt meer op algemene marktveranderingen dan rendement op individuele stukken binnen die marktveranderingen. Posities zijn met korte horizon (tactical) en op wereldwijde (global) markten.
Governance
Zie: Pension Fund Governance.
Groei stijl (growth style)
Beleggingsstijl waarbij met name in aandelen wordt belegd van bedrijven met hoge toekomstige winstverwachtingen.
GTAA
Afkorting van Global Tactical Asset Allocation.
Hedgefunds
Soort beleggingscategorie. Beheerders van hedge funds beleggen net als vermogensbeheerders in aandelen, obligaties en valuta, maar zij doen dit zonder de extra beperkingen die wel gelden voor ‘gewone’ vermogensbeheerders. Hedge funds gebruiken allerlei handelsstrategieën, zoals ‘short’ gaan in aandelen en substantieel gebruik van derivaten om rendement te behalen dat vaak onafhankelijk is van de richting van de markt.
Herbalanceren
Beleid van het periodiek herwegen van de asset allocatie van de portefeuille of benchmark
Herstelplan
Plan van aanpak gericht op het herstel van het dekkingstekort of het reservetekort bij een pensioenfonds. Binnen drie maanden na het ontstaan van de situatie van onderdekking dient het bestuur van het pensioenfonds een herstelplan bij De Nederlandsche Bank te hebben ingediend. Het herstelplan dient zodanige maatregelen te omvatten, dat de situatie op grond waarvan een herstelplan moet worden opgesteld binnen drie jaar is beëindigd. Dit heet een kortetermijnherstelplan. Ook in geval van een reservetekort dient een pensioenfonds binnen drie maanden na het ontstaan hiervan een herstelplan bij De Nederlandsche Bank in te dienen, indien de actuariële- en bedrijfstechnische nota van het pensioenfonds niet voorziet in toereikende maatregelen bij een reservetekort. De termijn die in het herstelplan mag worden aangehouden voor herstel van het reservetekort bedroeg op grond van de Actuariële Principes Pensioenfondsen twee tot acht jaar, afhankelijk van de aard en omvang van de opgetreden reservetekorten. Deze termijn is op grond van het FTK 15 jaar geworden. Dit wordt een langetermijnherstelplan genoemd.
Herverzekering
Pensioenfondsen en levensverzekeraars kunnen bepaalde risico's (zoals het risico van overlijden of invaliditeit) of verplichtingen die zij verzekeren, geheel of gedeeltelijk onderbrengen bij een (andere) verzekeringsmaatschappij. Dit wordt herverzekering genoemd.
High yield obligaties
Obligaties die, net als credits, zijn uitgegeven door bedrijven. Obligaties worden bestempeld als high yield als ze zijn uitgegeven door minder kredietwaardige bedrijven. Het verwachte rendement maar ook het risico op dergelijke leningen is hoger dan op credits en staatsleningen.
IAS 19 (IFRS)
De International Accounting Standard 19 (IAS 19) heeft betrekking op de wijze waarop de financiële consequenties van de pensioenregeling in de jaarverslaglegging van de onderneming tot uitdrukking dienen te worden gebracht.
Op grond van IAS19 moet een vergelijking worden gemaakt tussen de pensioenpremies die in een boekjaar werkelijk zijn betaald en de pensioenkosten die aan datzelfde boekjaar zijn toe te rekenen volgens een bepaalde standaardmethode (Projected Unit Credit methode). In die standaardmethode worden pensioenkosten gelijkmatig verdeeld over de gehele diensttijd van alle deelnemers waarbij rekening wordt gehouden met aannames over toekomstige loonontwikkeling, uittredings- en sterftekansen etc.
Indien volgens de standaardmethode sprake is van vooruitbetaalde kosten, moeten deze op de balans van de onderneming worden geactiveerd (“overschot”). Aan de passiefzijde van de balans moet bovendien een voorziening worden gevormd, als reeds verkregen pensioenaanspraken niet voldoende door de activa van het pensioenfonds worden gedekt (“tekort”). Met behulp van de 10% corridor methodiek kunnen (voorlopig) de winsten/verliezen in enig jaar worden verdeeld over de toekomst. Hierdoor kan het zijn dat de balanspositie niet gelijk is aan het werkelijke “overschot” of “tekort” op de pensioenregeling van de onderneming.
IFRS
Afkorting voor International Financial Reporting Standards. Set van verslaggevingregels uitgevaardigd door de IASB. Nieuwe term die in de plaats is gekomen van IAS. Alle IFRS (en vrijwel alle IAS) regels zijn vanaf 1 januari 2005 verplicht van toepassing voor beursgenoteerde ondernemingen in lidstaten van de Europese Unie. In Nederland is het ook voor andere ondernemingen toegestaan deze regels toe te passen.
Indexbeleggen
Een passieve beleggingsstijl waarbij de samenstelling (en daarmee de performance) van een gekozen benchmark zo nauwkeurig mogelijk wordt nagebootst. De samenstelling van de index kan in de portefeuille worden gereflecteerd door het opnemen van ieder aandeel van de index in dezelfde verhouding (replication) of door het selecteren van een kleiner aantal aandelen, dat de karakteristieken van de index weergeven (techniek wordt sampling genoemd).
Indexatie (ook Indexering)
De verhoging van het pensioen of de pensioenaanspraken met een door het bestuur vastgesteld percentage.
Inflatie
Verschijnsel dat met verloop van jaren met een gelijk aantal euro’s steeds minder gekocht kan worden. Hierbij wordt het volgende onderscheid gemaakt:
1. prijsinflatie: consumenten kunnen steeds minder kopen als ze hetzelfde aantal euro’s blijven besteden. Bij een koppeling aan een prijsindex blijven pensioenuitkeringen waardevast.
2. looninflatie: werknemers kunnen steeds minder kopen als ze hetzelfde loon krijgen. Bij een koppeling aan een loonindexcijfer blijven pensioenuitkeringen welvaartsvast.
Inflatie gerelateerde obligaties
Obligaties die (1) nominale coupons genereren en (2) waarvoor geldt dat de hoofdsom met de inflatie groeit.
Informatie ratio
Maatstaf die gebruikt wordt bij het beoordelen van de prestatie van een vermogensbeheerder. De informatie ratio wordt berekend door de behaalde outperformance te delen door de tracking error. Hoe hoger de informatie ratio des te hoger is het behaalde rendement per eenheid risico.
Infrastructuur
Niet-traditionele beleggingsstrategie. Beleggingen in projecten die betrekking hebben op bijvoorbeeld vliegvelden, tolwegen, havens of nutsbedrijven. Genereren regelmatige inkomsten met doorgaans lange looptijden.
Interest
Vergoeding (in percentage) voor het uitlenen van geld, ofwel rente.
Jaarrekening van de onderneming
De jaarrekening van de onderneming kan worden opgesteld overeenkomstig bijvoorbeeld de Richtlijnen voor de Raad van de Jaarverslaggeving, de International Accounting Standards (IAS) of de Amerikaanse Generally Accepted Accounting Principles (US GAAP).
Jaarrekening van het pensioenfonds
De jaarrekening van het pensioenfonds wordt opgesteld conform de wettelijke bepalingen zoals deze zijn opgenomen in Titel 9, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en met inachtneming van de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving..
Koerswaarde
Waarde van een beleggingsobject als het op dit moment zou worden verkocht.
Kortetermijnherstelplan
Zie: herstelplan.
Kredietrisico
Het risico dat de belegger loopt bij de crediteur loopt ten tijde van het uitlenen van geld.
Langetermijnherstelplan
Zie: herstelplan.
LDI
Afkorting voor Liability Driven Investments.
Liability Driven Investments (LDI)
Beleggingen in vastrentende waarden (vaak fondsen en/of swaps) met een relatief lange looptijd, met als doel het renterisico van de verplichtingen af te dekken.
Mandaatregeling
Een regeling waarin de bevoegdheden binnen bijvoorbeeld een pensioenfonds zijn vastgelegd. Op grond van de Pensioenwet moet een actuariële en bedrijfstechnische nota een mandaatregeling bevatten.
Mandaat vermogensbeheer
Het mandaat vermogensbeheer, ook wel beleggingsrichtlijnen of beleggingsinstructie genoemd, bevat de beleggingstechnische afspraken over het beheer van het vermogen. Het mandaat wordt vastgesteld onder verantwoordelijkheid van het bestuur en bevat alle restricties waarbinnen een vermogensbeheerder vervolgens naar eigen inzicht mag beleggen.
Marktrente
De rente zoals deze op een bepaald moment op de financiële markt geldt.
Marktwaarde
Waarde van een beleggingsobject als het op dit moment zou worden verkocht.
Matching
Het optimaal afstemmen van de rentegevoeligheid van de activa met de rentegevoeligheid van de passiva van een pensioenfonds. Wanneer een pensioenfonds aan zijn verplichtingen moet voldoen (pensioenen uitbetalen), dienen daarvoor op tijd de beschikbare middelen vrij te komen. Een pensioenfonds kan zowel het nominale als het reële renterisico trachten af te dekken. Asset Liability Management (ALM) is een instrument dat kan worden gebruikt om de optimale soort en/of mate van matching te bepalen.
MiFID
Afkorting voor Markets in Financial Instruments Directive.
Minimaal vereist eigen vermogen
Het minimumbedrag van het bij wijze van buffer aangehouden eigen vermogen. In het Besluit van 18 december 2006 (algemene maatregel van bestuur inzake FTK) zijn nadere regels gesteld voor de bepaling van het minimaal vereist eigen vermogen. Het minimaal vereist eigen vermogen bedraagt in de regel ca 5% van de technische voorziening (dus een dekkingsgraad van ca 105%).
Het een ander niet te verwarren met het vereist eigen vermogen.
Monitoring
Monitoring is het continue proces van bewaking van de consequente en juiste werking van de afgenomen dienstverlening en controlemaatregelen. Deze monitoring kan door het pensioenfonds zelf gebeuren of uitbesteed worden aan een onafhankelijk orgaan (bijv. audit). Monitoring maakt integraal deel uit van het controlesysteem.
Niet-beursgenoteerd
Effecten die niet op de beurs verhandelbaar zijn, maar slechts onderling. Ze kennen geen openbare prijzen of prijsvorming.
Niet-traditionele beleggingen
Zie: vastgoed, GTAA en portable alpha.
Nominale rente
Rente zonder rekening te houden met inflatie.
Onderdekking
Situatie dat de middelen van het pensioenfonds niet langer toereikend zijn om de voorziening pensioenverplichtingen en de reserve voor algemene risico’s te dekken. Op 30 september 2002 heeft De Nederlandsche Bank een brief aan de besturen van pensioenfondsen gestuurd met de titel “Uitgangspunten voor de financiële opzet en positie van pensioenfondsen”. Uit deze brief blijkt dat De Nederlandsche Bank een dekkingsgraad verlangt van minimaal 105%. Bij een lagere dekkingsgraad is sprake van onderdekking. In het Besluit FTK van 18 december 2006 (algemene maatregel van bestuur) worden nadere regels gesteld met betrekking tot het minimumbedrag van het eigen vermogen van pensioenfondsen en beroepspensioenfondsen.
Ondernemingspensioenfonds
De Pensioenwet geeft als definitie: een pensioenfonds verbonden aan een onderneming of aan een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Ondernemingspensioenfondsen hebben vrijwel altijd de rechtsvorm van een stichting. Ondernemingspensioenfondsen dient men niet te verwarren met bedrijfstakpensioenfondsen.
One tier board
Een monistische bestuursvorm waarbij er binnen het bestuursorgaan onderscheid wordt gemaakt tussen bestuurders die zijn belast met de uitvoerende werkzaamheden en bestuurders die zijn belast met het toezicht op die werkzaamheden. Het toezicht wordt in dit – uit het Angelsaksische recht afkomstige – stelsel derhalve vormgegeven binnen één bestuursorgaan. De systematiek van een one tier board kan volgens de ‘Principes voor goed pensioenfondsenbestuur’ bij een pensioenfonds worden ingevuld door de verschillende taken en bevoegdheden van het dagelijks bestuur en het algemeen bestuur in de statuten vast te leggen. Vervolgens kan het algemeen bestuur toezicht houden op het dagelijks bestuur.
Onroerend goed
Zie: vastgoed.
Ontgroening
Situatie waarin jaarlijks het aantal toetredende actieve deelnemers in een pensioenregeling bij de in die regeling geldende aanvangsleeftijd een dalende tendens vertoont. De gemiddelde leeftijd van de actieve deelnemers zal daardoor een stijgende tendens vertonen.
OPF
Afkorting van Stichting voor Ondernemingspensioenfondsen.
Opties
Het recht om een aandeel te kopen (call optie) of te verkopen (put optie) tegen een vooraf vastgestelde prijs (uitoefenprijs) op een bepaald tijdstip, of binnen een bepaalde termijn. Dit recht kan normaliter alleen worden verkregen door het betalen van een bedrag (optiepremie) aan de verkoper (schrijver) van de optie.
OTC-derivaten
Afkorting van Over-The-Counter derivaten.
Ouderdomspensioen
Pensioen, bestemd voor de levenslange financiële verzorging van de gerechtigde, nadat deze de in de pensioenregeling omschreven pensioenleeftijd heeft bereikt.
Outperformance
Het verschil tussen het behaalde rendement en het rendement van de benchmark (positief of negatief). Dit verschil geeft aan hoeveel waarde is toegevoegd door middel van actief beleggen. Outperformance wordt ook wel alpha genoemd.
Over the counter derivaten
Derivaten die niet op een officiële beurs worden verhandeld, maar een directe overeenkomst zijn tussen twee partijen (zoals het pensioenfonds en een willekeurige bank). Voor dit soort overeenkomsten worden verschillende contracten gesloten, onder meer om het beheer en storten van onderpand te regelen.
Passief beleggen
Hieronder kan worden verstaan indexbeleggen of buy and hold beleggen. Het is gericht op het zo laag mogelijk houden van de transactiekosten.
Pensioenfonds
Een fonds waarin voor de veiligstelling van de pensioenaanspraken, die voortvloeien uit een pensioenregeling, gelden worden bijeengebracht. Er zijn bedrijfstakpensioenfondsen, ondernemingspensioenfondsen, beroepspensioenfondsen en pensioenfondsen die individuele toezeggingen veilig stellen. In het algemeen staan pensioenfondsen onder toezicht van de overheid via De Nederlandsche Bank, tenzij het pensioenfonds uitsluitend pensioentoezeggingen veilig stelt, die niet onder het overheidstoezicht vallen. Pensioenfondsen kunnen hun verplichtingen geheel of gedeeltelijk herverzekeren. Veelal is de rechtsvorm van pensioenfondsen een stichting, soms ook een B.V.; in het laatste geval gaat het doorgaans om één of enkele directiepensioenen.
Pension Fund Governance
De manier waarop het pensioenfonds is georganiseerd (structuur) en de verantwoordelijkheden worden uitgevoerd (processen). De Stichting voor Ondernemingspensioenfondsen, Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben in 2004 aandacht geschonken aan het onderwerp Pension Fund Governance. Er werd daarbij gedacht aan het instellen van een 'Code Tabaksblat' voor pensioenfondsen. De OPF heeft aanbevelingen gedaan voor goed pensioenfondsbestuur. Deze waarborging voor goed pensioenfondsbestuur is verankerd in de Pensioenwet welke per 1 januari 2007 in werking is getreden.
Performance
De performance van (een deel van) het vermogen is het totale rendement op marktwaarde. Deze performance wordt in de regel vergeleken met de performance van de benchmark(index). Door middel van een zogenoemde performance attributie analyse wordt het verschil tussen deze beiden op een kwantitatieve wijze verklaard.
Performance attributie analyse
Methode om het behaalde rendement te analyseren. In de attributie analyse wordt het totale rendement opgesplitst en toegeschreven aan de verschillende keuzes die binnen het beleggingsproces zijn gemaakt. Zo kan bijvoorbeeld de bijdrage van de allocatiebeslissing (‘asset mix’) van de selectiebeslissing (‘stock picking’) worden gescheiden. Op deze manier komen de sterke en zwakke punten van het gevoerde beleid naar voren.
Performancetoets
Het gemiddelde van door een bedrijfstakpensioenfonds behaalde beleggingsresultaten, gemeten over een langere periode. De performancetoets wordt bepaald door de som van opeenvolgende jaarlijkse z-scores, gedeeld door de wortel van het aantal jaren. Als de performancetoets van een bedrijfstakpensioenfonds over een periode van vijf jaar minder is dan -1,28% kan de werkgever vrijstelling van de verplichtstelling verlangen. De eerste officiële performancetoets heeft in 2002 plaatsgevonden.
Pools
Is een vehikel waarin belegd wordt. Voor categorieën waar slechts een klein gedeelte van het vermogen in wordt belegd, is het beleggen middels een pool een efficiënte manier om een adequate spreiding te bewerkstelligen. Daarnaast kunnen de kosten (van beheer, bewaring, transacties en administratie) door schaalvoordelen bij pools lager uitvallen dan bij discretionair beheer. Een nadeel van pools is dat het vaak ‘standaard’ producten zijn die geen ruimte voor een eigen strategisch beleid voor een individueel pensioenfonds bieden. Bovendien worden pools veelal als weinig transparant ervaren, omdat men moeilijk het gevoerde beleid of de in rekening gebrachte kosten kan controleren (bijvoorbeeld als gevolg van summiere rapportages). Tevens kan de verhandelbaarheid van de participaties aan beperkingen onderhevig zijn (met name als het pensioenfonds één van de grotere participanten in een pool is). Tot slot is een groot nadeel dat bij een eventuele beëindiging van het beheer, er veelal geen ander alternatief is dan de participaties in de pools tegen aanzienlijke kosten te liquideren.
Portable alpha
Niet-traditionele beleggingsstrategie waarbij een vermogensbeheerder alpha scheidt van beta door te beleggen in stukken die afwijken van de marktindex waarvan de beta is afgeleid. Feitelijk is dit een strategie waarbij wordt belegd in producten die weinig tot geen correlatie hebben met de onderliggende markt. Idee erachter is dat dit tot een betere verhouding tussen vermogensbeheerder- en marktrisico leidt.
Private equity
Beleggen in private equity betreft het beleggen in aandelen van niet-beursgenoteerde ondernemingen. Een private equity investering varieert van het participeren in jonge bedrijven die nog niet volgroeid zijn om via de beurs te worden verhandeld tot het financieren van de overname van gevestigde bedrijven.
Prudentieel toezicht
Toezicht gericht op het bevorderen van de financiële degelijkheid van financiële instellingen.
De Nederlandsche Bank voert in hoofdzaak het prudentieel toezicht uit.
Rating
De rating van een belegging of een onderneming geeft een beoordeling weer van het krediet risico van een bepaalde belegging. De rating wordt vastgesteld door gespecialiseerde bureaus die, afhankelijk van de kredietwaardigheid van een onderneming, een AAA, AA, A, BBB etc. geven. Vastrentende waarden kunnen als hoogste rating AAA krijgen. De investeringsgrens voor pensioenfondsen wordt vaak gelegd bij een minimale rating van BBB.
Reële rente
Nominale rente minus inflatie.
Rekenrente
Fictief rendementspercentage dat het belegde pensioenvermogen wordt geacht op te brengen in de toekomst. Bij de berekening van contante waarden van toekomstige betalingen werd van dit rendementspercentage uitgegaan. In het FTK wordt de marktrente gehanteerd.
Rendement
Het positieve of negatieve resultaat dat een pensioenfonds, vermogensbeheerder of verzekeringsmaatschappij behaalt met de belegging van daartoe beschikbare middelen.
Rentetermijnstructuur
De rentetermijnstructuur, of yield curve, is een grafiek die het verband weergeeft tussen de looptijd van een vastrentende belegging enerzijds en de daarop te ontvangen marktrente anderzijds. Een normale rentetermijnstructuur heeft een stijgend verloop. Als iemand zijn geld voor een langere periode uitleent, eist hij normaliter een hogere vergoeding dan bij een lening over een korte termijn.
Risicobudgettering
Risicobudgettering is het vaststellen van de wijze waarop het vastgestelde risicobudget zo efficiënt mogelijk over de verschillende beleggingscategorieën en vermogensbeheerders kan worden verdeeld.
Risicokapitaal
Een term die veelal gebruikt wordt bij pensioenfondsen die al dan niet zelfstandig risico dragen.
Het risicokapitaal is gelijk aan het bedrag waarmee de aanwezige voorziening pensioenverplichtingen eventueel moet toenemen wanneer een verzekerde plotseling overlijdt. De som van de aanwezige voorziening en het risicokapitaal is gelijk aan de contante waarde van het ingaande partnerpensioen.
Risicopremie
1. Premie voor een risicodekking.
2. Theoretische vrijval van de voorziening als gevolg van overlijden. Immers, er wordt rekening gehouden met een overlijdenskans bij het reserveren van aanspraken, waardoor er theoretisch jaarlijks iets vrijvalt (door overlijden). De risicopremie wordt gebruikt bij de analyse van het technische resultaat. Wordt ook verstaan onder risicopremie: premie die benodigd is om het risicokapitaal bij een herverzekeraar onder te brengen.
3. In de financiële economie wordt onder deze term de beloning voor aanhouden van een risicovolle belegging ten opzichte van de risicovrije rente verstaan.
Screening
Beleggingsportefeuilles kunnen worden gescreend op negatieve en positieve criteria.
Veelal wordt gekeken naar welke producten en processen in strijd zijn met (inter-)nationale afspraken en verdragen en vervolgens worden ondernemingen die hieraan gerelateerd worden van belegging uitgesloten.
Screening kan ook inhouden dat wordt gekeken welke ondernemingen zich positief onderscheiden op bepaalde zelf vastgestelde thema's. Beleggingen in deze thema's worden vervolgens gestimuleerd door een bepaald gedeelte van het belegd vermogen aan deze thema's te alloceren.
Securities lending
Dit betreft het uitlenen van effecten die men in portefeuille heeft. Securities lending is een activiteit die sinds begin jaren negentig van de vorige eeuw gemeengoed is onder institutionele beleggers. Een belegger die beschikt over een grote veelal 'vaste' voorraad van effecten kan een deel daarvan ter beschikking stellen aan andere marktpartijen, veelal partijen die leveringsverplichtingen zijn aangegaan zonder zelf over voldoende effecten te beschikken. Voor het uitlenen wordt een vergoeding ontvangen alsmede een onderpand, het economisch eigendom gaat echter niet verloren.
Solvabiliteit
Het vermogen van de pensioenuitvoerder om op langere termijn aan verzekerings- of pensioenverplichtingen te kunnen voldoen.
Solvabiliteitseisen
In de Wet op het financieel toezicht worden aan verzekeringsmaatschappijen eisen gesteld met betrekking tot de solvabiliteit. De aanwezige solvabiliteitsmarge moet ten minste even groot zijn als de wettelijk vereiste solvabiliteitsmarge. De wettelijk vereiste solvabiliteitsmarge wordt bepaald op basis van wettelijk vastgestelde formules, die voor schadeverzekeraars en levensverzekeraars verschillen.
Solvabiliteitstoets
Toets in het kader van het FTK. Naast het benodigde vermogen uit de minimumtoets dient in deze toets ook een buffer te worden aangehouden om bij tegenvallende beleggingsresultaten aan het einde van een jaar voldoende vermogen te hebben om op dat moment weer aan de minimumtoets te kunnen voldoen. Als uitgangspunt voor de toets geldt de aanname dat zich gedurende het jaar na balansdatum een ongunstig scenario voltrekt en dat één jaar na balansdatum de aanwezige verplichtingen aan een andere pensioenuitvoerder moeten kunnen worden overdragen op marktconforme condities.
Stemmen
Een methode om tijdens aandeelhoudersvergaderingen actief invloed uit te oefenen op de ondernemingen waarin wordt geïnvesteerd.
Stichting voor Ondernemingspensioenfondsen (OPF)
Organisatie van Nederlandse ondernemingspensioenfondsen. Doelstelling van de organisatie is het adviseren en voorlichten van de leden en het behartigen van de gemeenschappelijke belangen, met name bij de overheid.
Het secretariaat van OPF is gevestigd in Den Haag.
Strategische beleggingsmix
De lange termijn verdeling van het vermogen over de verschillende beleggingscategorieën (aandelen, vastrentende waarden, onroerend goed). Deze verdeling wordt veelal gebaseerd op een ALM-studie.
Structured products
Beleggingen met gestructureerde aanpak. Verschillende derivatenstrategieën, elk met hun afzonderlijke effecten op de doelstellingen en restricties van het pensioenfonds.
Swap
Een swap is een overeenkomst tussen twee partijen tot het uitwisselen van betalingen gedurende de looptijd van de swap. Deze betalingen worden verricht over een afgesproken onderliggende waarde. De onderliggende waarde zelf wordt niet verhandeld.
Bij een standaard renteswap wordt een vaste rente (de swaprente) vastgesteld bij aanvang van de overeenkomst, terwijl de variabele rente periodiek gekoppeld is aan een specifieke marktrente. Informatie uit de renteswapmarkt kan worden gebruikt voor het bepalen van een rentetermijnstructuur.
Swaption
Een optie op een swap waarbij de eigenaar van de swaption het recht heeft, maar niet de verplichting, om een swap tegen vooraf bepaalde voorwaarden af te sluiten op of binnen een bepaalde tijd.
Tactische asset allocatie
Korte termijn asset allocatie waarmee wordt getracht voordeel te behalen uit de korte termijn rendement verwachting van beleggingscategorieën. Het houdt geen rekening met de verplichtingenstructuur van een pensioenfonds, maar neemt de strategische asset allocatie als uitgangspunt.
Top down beleggen
Een wijze van portefeuille samenstelling waarbij de focus ligt op de allocatie van middelen over landen en/of sectoren en waarbij de selectie van individuele vermogenstitels op de tweede plaats komt.
Tracking error
Risicomaatstaf die weergeeft hoe groot de kans is dat de rendement afwijkt van de benchmark. De tracking error is gelijk aan de standaarddeviatie van deze afwijkingen. Een hoge tracking error betekent veel kans op een rendement ver onder of boven de benchmark.
Traditionele beleggingen
Aandelen en vastrentende waarden.
t-rendement
Gemiddeld rendement van een geselecteerd pakket staatsleningen, waarbij het belangrijkste selectiecriterium is dat die leningen een resterende looptijd hebben van ten minste zeven jaar.
u-rendement
Rendementsmaatstaf welke maandelijks wordt gepubliceerd door het Verbond van Verzekeraars c.q. het Centrum voor Verzekeringsstatistiek. De hoogte van het u-rendement is gebaseerd op het effectief rendement van alle staatsleningen (guldens- en euro-obligatieleningen) die voldoen aan een aantal specifieke criteria. Deze hebben betrekking op de looptijd (2 tot 15 jaar), de wijze, de duur en de hoogte van de notering in de Officiële Prijscourant van Euronext te Amsterdam.
Het u-rendement is het gemiddelde van zes deel-u-rendementen. Een deel-u-rendement wordt 2 maal per maand vastgesteld en wel per de 15e en ultimo van de maand.
Het u-rendement gaat uit van een breder samengesteld pakket staatsleningen dan waarvan het t-rendement uitgaat. Daardoor is het u-rendement meer representatief voor het effectief rendement op beleggingen met een looptijd van acht jaar dan het t-rendement.
Valutahedging
Het afdekken van valutarisico door middel van valutatermijntransacties.
Valutarisico
Koersrisico dat een belegger loopt door te beleggen in (effecten die noteren in) vreemde valuta.
Valutatermijntransacties
Transacties in termijncontracten op de valutamarkten met als doel het valutarisico nu of op een moment in de toekomst af te dekken.
Vastgoed
Direct: beleggingen in onroerende goederen. Indirect: Participaties in beleggingsfondsen die beleggen in onroerend goed. Indirect kan weer uit beursgenoteerde of niet-beursgenoteerde fondsen bestaan.
Vastrentende waarden
Verzamelnaam voor beleggingen waarop in beginsel een vaste rentevergoeding en een vaste looptijd geldt. Voorbeelden van vastrentende waarden zijn obligaties, onderhandse leningen en hypotheken. Deze beleggingen worden ook wel als risicomijdend aangeduid.
VB
Afkorting van Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen.
Verantwoord beleggen
Zie: duurzaam beleggen.
Vereist eigen vermogen
In de nota Hoofdlijnen FTK wordt voor pensioenfondsen een vereist vermogen voorgeschreven. In de Pensioenwet wordt de omvang van het vereist eigen vermogen nader ingevuld. In deze wet is opgenomen dat het vereist eigen vermogen zodanig moet worden vastgesteld dat met een zekerheid van 97,5% wordt voorkomen dat het pensioenfonds binnen een jaar over minder waarden beschikt dan de hoogte van de technische voorzieningen. Voor een standaardpensioenfonds (waarbij onder andere wordt uitgegaan van belegging voor 50% in zakelijke waarden) komt deze norm neer op een vereist eigen vermogen van ongeveer 30% van de technische voorzieningen. De vereiste dekkingsgraad dient dus ongeveer 130% te zijn. Naarmate een pensioenfonds meer risicovol belegt, zal het vereist eigen vermogen groter moeten zijn. Naarmate het minder risicovol belegt, kleiner. Voor een pensioenfonds met een ten opzichte van een standaardpensioenfonds relatief jong deelnemersbestand zal het vereist eigen vermogen lager mogen zijn dan wanneer het een relatief oud deelnemersbestand betreft.
In een algemene maatregel van bestuur is nader bepaald hoe DNB toetst of pensioenfondsen voldoen aan de eisen ten aanzien van het vereist eigen vermogen.
Vereniging van bedrijfstakpensioenfondsen (VB)
Organisatie van bedrijfstakpensioenfondsen, die als doelstelling heeft het bevorderen van de samenwerking tussen alle bedrijfstakpensioenfondsen in Nederland op alle daarvoor in aanmerking komende terreinen, zonder de autonomie van de leden aan te tasten.
Het secretariaat van de vereniging is gevestigd in Den Haag.
Verklaring inzake beleggingsbeginselen
Schriftelijke verklaring omtrent het beleggingsbeleid. De verklaring wordt in de actuariële en bedrijfstechnische nota opgenomen. Bij een belangrijke wijziging in het beleggingsbeleid, maar tenminste een keer per drie jaar, moet de verklaring worden herzien. Deze verklaring omvat minimaal onderwerpen zoals de toegepaste wegingsmethode voor beleggingsrisico’s, de risicobeheersprocedures en de strategische allocatie van activa in het licht van de aard en de looptijd van de pensioenverplichtingen.
Vermogensbeheerder
Een professionele beheerder van vermogens voor organisaties (zoals pensioenfondsen, verzekeringsmaatschappijen etc.) en/of vermogende particulieren. Vermogensbeheerders zijn vaak onderdeel van een bank, dan wel financiële instelling, maar kunnen ook een onafhankelijke organisatie zijn. In Nederland kunnen vermogensbeheerders zich onder bepaalde voorwaarden laten registreren bij Autoriteit Financiële Markten (voorheen: Stichting Toezicht Effectenverkeer).
Volatiliteit
Maatstaf voor de beweeglijkheid of het risico van een economische grootheid (bijvoorbeeld het rendement op aandelen) ten opzichte van het gemiddelde van deze grootheid. Deze maatstaf kan in verschillende tijdseenheden zijn uitgedrukt, bijvoorbeeld: dagelijkse, wekelijkse, maandelijkse of jaarlijkse afwijking van het gemiddelde.
Voorziening voor (of waarde van) pensioenverplichtingen = Passiva
De waarde van de pensioenverplichtingen is de actuariële contante waarde van de opgebouwde, premievrije en ingegane pensioenaanspraken, op basis van een gegeven actuariële methode en gegeven financieel-economische en demografische veronderstellingen.
De voorziening voor pensioenverplichtingen is gelijk aan de waarde van de pensioenverplichtingen. De voorziening voor pensioenverplichtingen is een van de belangrijkste passiva van het fonds.
Waarde stijl (value style)
Beleggingsstijl waarbij met name in aandelen wordt belegd van bedrijven die als relatief goedkoop kunnen worden gekwalificeerd.
Weerstandsvermogen
Sinds het boekjaar 1997 zijn pensioenfondsen verplicht om te beschikken over een voldoende grote buffer om mogelijke waardedalingen van de in het fonds aanwezige middelen op te vangen. Deze buffer wordt het weerstandsvermogen genoemd. Middels een toereikendheidstoets kan jaarlijks worden vastgesteld of het weerstandsvermogen groot genoeg is.
Yield curve
Zie: rentetermijnstructuur
Zakelijke waarden
Verzamelnaam voor beleggingen in aandelen en beleggingen in onroerend goed. Deze beleggingen worden ook wel aangeduid als risicodragend.
Z-score
Jaarlijkse meting van de beleggingsresultaten van verplicht gestelde bedrijfstakpensioenfondsen. Voor het bepalen van een Z-score wordt voorafgaand aan een nieuw beleggingsjaar een normportefeuille vastgesteld, waarin rekening wordt gehouden met de risico's die het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds kan en wil nemen. Aan het eind van elk beleggingsjaar wordt het feitelijk behaalde rendement op beleggingen vergeleken met het rendement van de normportefeuille. Werkgevers kunnen een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds verlaten als de beleggingsresultaten, gemeten over vijf jaar, onvoldoende zijn. Aan de hand van de som van opeenvolgende jaarlijkse Z-scores, gedeeld door de wortel van het aantal jaren worden de beleggingsresultaten getoetst.
|
|